In het Oosten van de provincie Minho, die in reisgidsen ook wel met Costa Verde wordt aangeduid, tegen de grens met Trás-os-Montes,

ligt de Serra da Cabreira ("de bergen van de geitenhoedster"). Een oud, granieten middelgebergte met diepe dalen waarin heldere
riviertjes stromen en met afgeronde toppen. Het hoogste punt is 1262 meter.
Aan de rand van het gebergte liggen de stadjes Vieira do Minho en Cabeceiras de Basto, en daaromheen een aantal kleinere
dorpen. In sommige afgelegen plaatsen zijn de Middeleeuwen nog maar nauwelijks voorbij; op het dorpsplein bij de wasplaats meldt een plakkaat plechtig de recente aanleg van de asfaltweg.
De bevolking leeft van oudsher vooral van kleinschalige landbouw en veeteelt. Tweemaal daags leiden ze drie of vier
koeien met grote hoorns vanuit het dorp naar de weilandjes. De oogst wordt bewaard in
espigueiros (hier in dialect
canastros genoemd),

de smalle, meestal granieten schuurtjes op poten die zo kenmerkend zijn voor de Minho.
Veel akkers, weilanden en erven worden omzoomd door hoog opgroeiende druivenranken, die een rode wijn opleveren met een fors tanninegehalte. Deze wijn is dan ook vooral voor eigen gebruik. De professionele
wijnbouw levert echter een erg goede en sprankelende witte
vinho verde op. Op de zuidflanken van de Serra da Cabreira en in het dal van de Rio Ave staan enkele befaamde wijnhuizen die een belangrijk deel van hun opbrengst exporteren.